Op 4 oktober 1994, om 07:52, kwam in Utrecht de dag op gang. De Zon stond negen graden boven de horizon, laag in het oosten, op 10°49′ Weegschaal. Het licht was er al, maar nog schuin en voorzichtig, het soort licht dat over de daken valt en de straten nog niet bereikt. Iets hoger aan de hemel stond de Maan in Maagd, zo dicht bij de Zon dat ze niet te zien was. Het was nieuwe maan, het moment waarop een cyclus opnieuw begint.
Wie die ochtend in één beeld wil vangen, ziet een zacht gezicht boven diep water. Je Ascendant, het teken dat bij je geboorte aan de oostelijke horizon oprees, staat op Weegschaal 21°33′, en ook je Zon is Weegschaal. Wat mensen het eerst van je zien, is hoffelijk, afgewogen en prettig in de omgang. Maar direct onder die horizon, in het eerste huis, liggen Mercurius, Venus, Jupiter en de Noordknoop samen in Schorpioen, met Pluto op 26°14′ vlak daarachter. Daar zit een intensiteit die zich niet laat verdelen.